Bharat Devotion
Embroidered artwork for De vijf grote geloften (Mahavratas) van Jain monniken en nonnen: Embroidered Jain ahimsa palm with a gold wheel, white marble temples and lotuses at dawn

De vijf grote geloften (Mahavratas) van Jain monniken en nonnen

De vijf grote geloften (Mahavratas) van Jain monniken en nonnen

Dit artikel legt uit wat de vijf grote geloften zijn die Jain monniken en nonnen afleggen: geweldloosheid, waarachtigheid, niet-stelen, kuisheid en onthechting. Deze geloften vormen de ethische basis van het Jain monastieke leven.

In de Jain traditie leggen monniken en nonnen vijf grote geloften af die bekend staan als de Mahavratas. Dit zijn geen vrijblijvende idealen, maar strikte regels die hun dagelijks leven volledig bepalen. De geloften zijn ontworpen om hen te helpen zuiver te leven, gehechtheid los te laten en uiteindelijk spirituele bevrijding te bereiken. De vijf geloften zijn: Ahimsa (geweldloosheid), Satya (waarachtigheid), Asteya (niet-stelen), Brahmacharya (kuisheid) en Aparigraha (niet-hechten).

De eerste en belangrijkste gelofte is Ahimsa, of geweldloosheid. Dit betekent dat monniken en nonnen geen enkel levend wezen mogen schaden, niet in gedachten, woorden of daden. Ze lopen heel voorzichtig om geen insecten te vertrappen, dragen een mondkapje om te voorkomen dat ze kleine diertjes inademen, en vermijden gewelddadige beroepen of handelingen. Ahimsa wordt gezien als de kern van alle andere geloften, omdat geweld altijd negatieve gevolgen heeft voor de ziel.

De tweede gelofte is Satya, wat waarachtigheid of eerlijkheid betekent. Monniken en nonnen moeten altijd de waarheid spreken, maar wel op een manier die geen pijn doet of anderen schaadt. Ze vermijden liegen, roddelen, overdrijven en elk woord dat verdeeldheid zaait. Als de waarheid schadelijk is, mogen ze stil blijven. Ook moeten ze in hun denken zuiver zijn en niet proberen anderen te misleiden.

De derde gelofte is Asteya, of niet-stelen. Dit is meer dan alleen het niet wegnemen van andermans eigendom. Het verbiedt ook het aannemen van dingen die niet uitdrukkelijk zijn gegeven, het gebruiken van oneerlijke middelen om iets te krijgen, en zelfs het verlangen naar wat van anderen is. Monniken en nonnen mogen alleen voedsel en spullen aannemen die speciaal voor hen zijn gegeven, en dan nog in beperkte mate.

De vierde gelofte is Brahmacharya, wat kuisheid betekent. Voor Jain monniken en nonnen houdt dit in dat ze elke vorm van seksuele activiteit vermijden. Ze mogen niet trouwen, geen intieme relaties hebben, en zelfs niet naar anderen kijken met verlangen. Ook gesprekken over seks of liefde zijn verboden. Deze gelofte helpt hen om hun energie te richten op spirituele groei in plaats van op lichamelijke verlangens.

De vijfde en laatste gelofte is Aparigraha, of niet-hechten. Monniken en nonnen mogen geen bezittingen hebben. Ze bezitten alleen het aller noodzakelijkste: een eenvoudige witte of oranje pij, een bedelnap, een bezempje om insecten weg te vegen, en soms een mondkapje. Ze hechten zich niet aan mensen, plaatsen of bezittingen. Dit helpt hen om los te komen van het verlangen naar materie of status, wat de ziel volgens de Jain leer gevangen houdt in de cyclus van wedergeboorte.

Deze vijf geloften samen vormen de absolute norm voor het monastieke leven in het Jainisme. Ze zijn strenger dan de lekenregels, maar ze zijn bedoeld om de monnik of non zo te zuiveren dat hij of zij uiteindelijk Nirvana kan bereiken. Door deze ethische discipline leren ze om hun impulsen te beheersen, compassie voor alle levende wezens te ontwikkelen, en zich volledig te wijden aan de spirituele weg. Hoewel verhalen over de oorsprong van deze geloften variëren, worden ze in alle Jain stromingen unaniem erkend als de basis van het monastieke leven.

Wist je dat?

Kern van alle geloften

Ahimsa (geweldloosheid) wordt beschouwd als de belangrijkste en fundamentele gelofte. Monniken en nonnen nemen extreme voorzorgsmaatregelen, zoals het dragen van een mondkapje om te voorkomen dat ze kleine insecten inademen, en lopen heel voorzichtig om geen levende wezens te vertrappen.

Satya met compassie

De gelofte van waarachtigheid (Satya) vereist niet alleen eerlijkheid, maar ook dat de waarheid op een niet-schadelijke manier wordt gesproken. Als de waarheid pijn doet, is stilte toegestaan. Dit toont de diepe integratie van geweldloosheid in alle geloften.

Asteya verder dan stelen

Niet-stelen (Asteya) omvat ook het niet aannemen van iets dat niet uitdrukkelijk is gegeven, en zelfs het verlangen naar andermans bezittingen wordt vermeden. Monniken en nonnen mogen alleen voedsel en spullen accepteren die speciaal voor hen zijn bestemd, en dan nog in beperkte mate.

Brahmacharya voor spirituele energie

Kuisheid (Brahmacharya) betekent volledige onthouding van seksuele activiteit, inclusief verlangens en gesprekken. Dit helpt om alle energie te richten op spirituele groei, niet op lichamelijke verlangens.

Aparigraha en minimale bezittingen

Niet-hechten (Aparigraha) beperkt monniken en nonnen tot het absolute minimum: een eenvoudige pij, een bedelnap, een bezempje om insecten weg te vegen, en soms een mondkapje. Dit symboliseert het loslaten van alle materiële gehechtheid die de ziel gevangen houdt in de cyclus van wedergeboorte.

Doel van de geloften

De vijf Mahavratas zijn geen vrijblijvende idealen, maar strikte regels die het dagelijks leven volledig bepalen. Ze zijn ontworpen om de monnik of non te zuiveren en uiteindelijk Nirvana (spirituele bevrijding) te bereiken door beheersing van impulsen en compassie voor alle levende wezens.